Vijftien jaar Onderzoeksfonds: van toen naar nu en nu naar morgen

Het St. Antonius Onderzoeksfonds bestaat 15 jaar. Sinds de oprichting keerde het fonds miljoenen uit voor onderzoek, op medisch én verpleegkundig gebied. Duizenden donateurs die het fonds met kleine en grotere bedragen steunen, maakten dit mogelijk. Dinsdag 6 oktober stond het fonds hierbij stil met een symposium voor donateurs, onderzoekers en andere belangstellenden.
Het St. Antonius Onderzoeksfonds werd in 2011 opgericht bij het 100-jarig bestaan van het St. Antonius Ziekenhuis. Giften bij dit jubileum vormden het startkapitaal. Het fonds maakt onderzoek en innovatie mogelijk waarvoor binnen een niet-academisch ziekenhuis niet altijd genoeg geld beschikbaar is. Ieder jaar kunnen onderzoekers voorstellen indienen voor ondersteuning door het fonds. De wetenschappelijke Adviesraad beoordeelt welke onderzoeken geld krijgen.
Sinds de oprichting keerde het fonds 11 miljoen euro uit voor 230 onderzoeken. Daarmee is het één van de grootste onderzoeksfondsen van Nederland die aan een ziekenhuis zijn verbonden.
Uniek
Volgens Michiel van de Riet, directeur van het Onderzoeksfonds, is het uniek in Nederland. “Het wordt gedragen door patiënten en werkt voor patiënten. Ik ben trots op de samenwerkingen die we in 15 jaar hebben opgebouwd. En ik ben dankbaar voor alle donateurs die het Onderzoeksfonds in al die jaren een warm hart hebben toegedragen."
Van de Riet wil het fonds de komend jaren verder uitbouwen. ,,We willen het belang van wetenschap binnen en buiten het ziekenhuis nog beter laten zien. Ook hopen we natuurlijk dat we nog meer donateurs krijgen en willen we de samenwerking met het ziekenhuis verder versterken.”
Symposium op 6 oktober

Het 15-jarig bestaan werd dinsdag 6 oktober gevierd met een symposium in Theater De Kom in Nieuwegein. Tijdens het symposium namen uroloog Harm van Melick, verpleegkundig onderzoeker Lian Trapman, anesthesioloog Peter Noordzij. Longarts Jan Grutters, oncologisch chirurg Annemiek Doeksen en cardioloog Jur ten Berg vertelden daar over de resultaten van hun onderzoek. Ook vertelden zij wat het Onderzoeksfonds daarvoor heeft betekend. Voormalig bestuursvoorzitter en initiatiefnemer van het fonds Maarten Rook was ook aanwezig.
Drie voorbeelden van onderzoeken met steun van het Onderzoeksfonds
Groen licht
Als een tumor uitzaait, gebeurt dat meestal via één lymfeklier: de schildwachtklier. Is deze klier schoon, dan is de kans groot dat de kanker niet verder in het lichaam is uitgezaaid. Jarenlang gebruikten artsen de radioactieve stof technetium om deze klier op te zoeken. Dat is betrouwbaar, maar omslachtig. Er zijn bijvoorbeeld speciale vergunningen nodig en het werken met radioactieve stoffen vraagt om extra maatregelen. Ook is technetium niet altijd makkelijk beschikbaar.
De onderzoeksgroep Oncologische Chirurgie van het St. Antonius zocht daarom naar een andere methode. Het Onderzoeksfonds steunde het onderzoek vanaf het begin. Ook toen nog niet duidelijk was of het onderzoek zou slagen, stelde het fonds geld en middelen beschikbaar. In de INFLUENCE-studie bleek de groene vloeistof ICG een geschikt alternatief voor het opsporen van de schilwachtklier bij borstkanker. Deze vloeistof, onzichtbaar voor het oog, is met een speciale camera te zien. De camera laat de klier oplichten als een groene stip.
Nu, negen jaar later, zijn er workshops, publicaties, e-learnings, (inter)nationale verspreiding [VI1] en een wordt de inzetr van ICG bij huidkanker onderzocht. De resultaten zijn er nog niet, maar de verwachtingen zijn hoog.
Het onverklaarde verklaard
In het St. Antonius Ziekenhuis staat een verborgen schat: de biobank van het ILD Expertisecentrum. Daar wordt DNA van duizenden patiënten met allerlei vormen van longfibrose bewaard in 15 grote vriezers bij -80° C.

Tot 10 jaar geleden was bij veel patiënten niet duidelijk waardoor hun ziekte werd veroorzaakt. Mede door steun van het St. Antonius Onderzoeksfonds konden onderzoekers de afgelopen jaren onderzoek doen naar erfelijke oorzaken van longfibrose. Deze ontdekkingen hebben geleid tot belangrijke veranderingen in de zorg. Zo is er nieuwe DNA-diagnostiek voor longfibrose. Daarmee kunnen patiënten een duidelijkere verklaring krijgen voor hun ziekte, dan voorheen. Ook kunnen soms andere onverklaarde ziektes in de familie, zoals levercirrose of beenmergfalen, hiermee worden verklaard.
Tot slot heeft de toegenomen kennis geleid tot het opzetten van een screeningsprogramma voor gezonde familieleden. Door erfelijke aanleg vroeg op te sporen, kunnen zij eerder worden gevolgd en mogelijk sneller behandeld worden als dat nodig is. Het St. Antonius Ziekenhuis is voorloper in de wetenschappelijke onderbouwing van dit programma en toonaangevend in de ontwikkeling van internationale richtlijnen voor erfelijke longfibrose.
Minder bloedverdunners na een hartinfarct
Op dit moment loopt met steun van het Onderzoeksfonds de POPular MONO studie naar vermindering van de hoeveelheid bloedverdunners die patiënten voorgeschreven krijgen na een hartinfarct. Veel patiënten worden na een infarct gedotterd en krijgen een stent om de vernauwing in de de kransslaggader op te heffen. Daarna slikken zij 2 bloedverdunners, aspirine en clopidogrel om de stent te beschermen tegen stolling. Een jaar na de dotterprocedure kan 1 van de bloedverdunners gestopt worden. In het algemeen is dat clopidogrel en gaat de patiënt levenslang door met aspirine.
Onderzoek in Azië heeft echter uitgewezen dat levenslang clopidogrel beter is dan levenslang aspirine. Aziaten hebben echter ander eigenschappen dan westerse patiënten. Daarom moet onderzoek in het St. Antonius uitwijzen of ook in Nederland en West-Europa clopidogrel een beter optie is dan aspirine voor levenslang gebruik.