Onderzoek naar longfibrose

DNA onderzoek bij longfibrose

Bij familiaire (erfelijke) longfibrose is er een sterk vermoeden dat de oorzaak van de ziekte genetisch is. Er kan echter niet altijd een genetische oorzaak gevonden worden. Als de oorzaak in de genen (stukjes DNA) zit, kunnen we gerichter behandelen. Meer onderzoek is nodig om de genetische screening uit te breiden.

Het vinden van de oorzaak van de ziekte is niet alleen van belang voor de patiënt zelf, maar ook voor de screening van familieleden die niet ziek zijn om de kans op het krijgen van longfibrose te voorspellen.

Ook bij IPF-patiënten waarbij de ziekte niet familiair is (sporadische IPF), kan er een verdenking op een genetische oorzaak zijn. Het vinden van meer genen die betrokken zijn bij longfibrose zou de screening en behandeling van IPF kunnen verbeteren.

Genetische oorzaak familiaire longfibrose

Relatie dna en longfibrose

Deze cijfers zijn gebaseerd op meer dan 200 volwassen patiënten met familiaire longfibrose (maximaal één persoon per familie) die geregistreerd staan in de ILD Biobank van het St. Antonius Ziekenhuis. Bron: Van Moorsel et al. (2021).  

Help ook mee meer onderzoek mogelijk te maken

Dit onderzoek in het kort

Doel onderzoek

Opsporen van nieuwe DNA-mutaties bij (families met) longfibrose

Omschrijving onderzoekHet vinden van de genen die betrokken zijn bij het ontstaan van  longfibrose. Dit doen we met behulp van genetisch onderzoek en het beschrijven van de daarbij behorende klachten en kenmerken.
Onderzoeker
Karlijn Groen, MSc

Karlijn Groen, MSc

Onderzoekstermijn2019-2024
Mede mogelijk gemaakt doorSt. Antonius Onderzoeksfonds

Onderzoeksvragen en resultaten

Een gen is een stukje DNA dat de code bevat voor het maken van een product, meestal een eiwit. Schadelijke veranderingen in de code, zogenaamde mutaties, kunnen ervoor zorgen dat dit product verandert. Het kan zijn dat het niet meer gemaakt wordt of dat de hoeveelheid die gemaakt wordt verandert.

In de afgelopen jaren zijn er meerdere genen ontdekt waarin afwijkingen kunnen leiden tot longfibrose. Hierdoor hebben we meer inzicht gekregen in de processen die een rol spelen bij de ontwikkeling van de ziekte. De genen waarvan we weten dat afwijkingen longfibrose kunnen veroorzaken, hebben meestal te maken met telomeren (uiteinden van de chromosomen) of de samenstelling en het transport van surfactant, een belangrijk stofje in de longen.

Surfactant-genen

Deze genen spelen een rol bij het maken van longvloeistof. Die vloeistof zorgt ervoor dat de longblaasjes open blijven als iemand adem haalt. Door een afwijking in één van deze genen kan deze stof niet meer goed gemaakt worden. Dan kunnen de longblaasjes beschadigen en ontstaat littekenweefsel (fibrose).

Telomeergerelateerde genen

Deze genen spelen een rol bij het delen van cellen. Door een afwijking in één van deze genen lukt het delen niet meer goed. Dit kan leiden tot schade in weefsels van ons lichaam waarvan de cellen een leven lang blijven delen, zoals de longen.

Bij een genetische screening van de patiënt onderzoeken we een aantal genen waarvan we weten dat ze een rol kunnen spelen bij het krijgen van longfibrose. We onderzoeken of er in deze genen afwijkingen zitten in de code die ervoor zorgen dat het product niet meer (goed) gemaakt wordt.

Als we de genetische oorzaak vinden, kunnen we beter voorspellen welk type longfibrose een patiënt heeft, hoe de ziekte verloopt en welke behandeling daarbij het beste is. Wat uit de screening komt niet alleen belangrijk voor de patiënt zelf, maar ook voor familieleden die niet ziek zijn. Voor hen geldt dat zij drager kunnen zijn van de mutatie (schadelijke verandering in het DNA) en dus mogelijk ook risico lopen op het krijgen van de ziekte. Als de genetische oorzaak bekend is, kunnen zij hierop eventueel gescreend worden.

Het kan gebeuren dat bij een patiënt wel een sterke verdenking op een genetische oorzaak is (ziekte zit in de familie), maar dat we in de bekende genen geen oorzaak vinden. We denken daarom dat onze huidige kennis van de rol van genen bij longfibrose nog onvolledig is. In dit onderzoek zoeken we daarom naar nieuwe mutaties die (familiaire) longfibrose kunnen veroorzaken. Als we genen vinden die een rol spelen bij longfibrose en die niet samenhangen met telomeren of surfactant, levert dat ook nieuwe inzichten op over het ontstaan van de ziekte.

Terug naar boven