Onder anesthesie

Anesthesie (ook wel verdoving of narcose genoemd) neemt pijn weg tijdens een operatie of onderzoek. Er zijn verschillende soorten anesthesie. Welke soort u krijgt, hangt mede af van uw gezondheid, de aard en de ernst van de ingreep en uw persoonlijke voorkeur.

Vooraf beoordeelt de anesthesioloog of u gezond genoeg bent voor de anesthesie en bespreekt hij/zij welke soort anesthesie voor u mogelijk is. 

Op deze pagina snel naar

Wat doet de anesthesioloog?

Voor de operatie maakt u kennis met de anesthesioloog, ook wel anesthesist genoemd. Dat is een arts die gespecialiseerd is in de verschillende vormen van anesthesie, pijnbestrijding en intensieve zorg rondom de operatie.

De anesthesioloog kent uw diagnose. Hij vraagt naar uw gezondheid, welke medicijnen u gebruikt en of u allergisch bent voor bepaalde medicijnen. Ook krijgt u vragen over eerdere operaties en hoe u toen op de anesthesie reageerde.

Aanvullend onderzoek

Soms laat de anesthesioloog extra onderzoek doen, zoals bloedonderzoek, röntgenonderzoek, een elektrocardiogram (ECG/hartfilmpje) of een longfunctieonderzoek (blaastest). Verder kan de anesthesioloog aan een andere specialist, zoals een internist, cardioloog of longarts, vragen om te onderzoeken of er nog andere aandoeningen zijn die behandeld moeten worden voordat u geopereerd wordt.

Zo krijgt de anesthesioloog een indruk van uw gezondheidstoestand en daarmee inzicht in eventuele risico’s van verdoving bij uw operatie.

Tijdens de operatie

Tijdens de operatie zijn de anesthesioloog (of een assistent anesthesioloog in opleiding) en de anesthesiemedewerker voortdurend bij u. Daarnaast kunnen er ook artsen die in opleiding zijn tot anesthesioloog bij de operatie betrokken zijn. Tijdens de operatie bewaakt en bestuurt de anesthesioloog de functies van uw lichaam. Zonodig kan de anesthesioloog ieder moment de anesthesie bijstellen. Ook zorgt hij ervoor dat uw vochtgehalte op peil blijft en dat u zonodig een bloedtransfusie krijgt wanneer u tijdens de operatie veel bloed verliest.

Toon meer

Welk type verdoving is geschikt?

Welke vorm van anesthesie voor u het meest geschikt is, hangt af van verschillende factoren zoals uw leeftijd, lichamelijke conditie en het soort operatie dat u moet ondergaan. U kunt uw wensen aan de anesthesioloog voorleggen. Het kan zijn dat hij u voorstelt om de narcose te combineren met een ruggenprik. Dit biedt de mogelijkheid om na de operatie een aanvullende pijnstilling te geven. De anesthesioloog noteert de met u gemaakte afspraken op het anesthesieformulier.

Soorten anesthesie

Er bestaan verschillende soorten anesthesie of verdoving:

  • Algehele anesthesie/narcose
  • Regionale anesthesie
  • Plaatselijke verdoving

Algehele anesthesie/narcose

De meest bekende vorm van verdoving is de algehele anesthesie of narcose. Hierbij wordt uw hele lichaam verdoofd en bent u tijdelijk buiten bewustzijn.

Wat gebeurt er?

Voordat u onder narcose gaat, wordt u aangesloten op bewakingsapparatuur. Dat houdt in dat u plakkers op uw borst krijgt om uw hartslag te meten, een klemmetje op uw vinger om het zuurstofgehalte in uw bloed te controleren. Ook wordt uw bloeddruk regelmatig gemeten via een band om uw arm. Daarnaast krijgt u een infuusnaald in uw arm, waarop een infuus wordt aangesloten. Via deze naald spuit de anesthesioloog de anesthesiemiddelen in. Binnen een halve minuut valt u in een diepe slaap.

Om de ademhaling tijdens de narcose te kunnen controleren, krijgt u waarschijnlijk een plastic buisje via uw mond in de luchtpijp. Omdat u slaapt merkt u daar niets van. Tijdens de operatie bewaakt en bestuurt de anesthesioloog de functies van uw lichaam. Dat betekent dat de anesthesioloog of de anesthesiemedewerker voortdurend bij u blijft. Met behulp van de bewakingsapparatuur kan hij precies zien hoe uw lichaam op de operatie reageert. Zonodig stuurt de anesthesioloog de ademhaling en de bloedsomloop bij en krijgt u medicijnen om goed onder narcose te blijven.

Mogelijke bijwerkingen

U kunt zich kort na de operatie nog slaperig voelen en af en toe wegdommelen. Dat is heel normaal. Met het uitwerken van de anesthesie kunt u pijn krijgen in het operatiegebied. Door de anesthesie, maar ook als gevolg van de operatie bent u misschien misselijk. U kunt de verpleegkundige gerust vragen om een pijnstiller of een middel tegen misselijkheid.

U kunt ook last hebben van kriebels of pijn achter in de keel. Dat komt van het buisje dat tijdens de operatie in uw luchtweg zat om de ademhaling te regelen. De irritatie verdwijnt vanzelf binnen een aantal dagen. Veel mensen hebben dorst na een operatie. Als u wat mag drinken, begin daar dan voorzichtig mee. Als u nog niet mag drinken, kan de verpleegkundige uw lippen nat maken om de ergste dorst weg te nemen.

Is anesthesie veilig?

Ja, anesthesie is tegenwoordig zeer veilig. De bewakingsapparatuur wordt steeds beter, er zijn moderne geneesmiddelen en goed opgeleide anesthesiologen en anesthesiemedewerkers. Maar ondanks dat zijn complicaties niet altijd te voorkomen.

Mogelijke complicaties

  • Een allergische reactie op medicijnen.
  • Beschadiging van het gebit bij het inbrengen van het beademingsbuisje.
  • Het beklemd raken van een zenuw in de arm of het been door een ongelukkige houding tijdens de operatie, waardoor u last kunt houden van tintelingen en krachtverlies.
  • Tijdelijke concentratiestoornissen en tijdelijk minder goed werken van uw geheugen. Dit komt vooral voor bij mensen boven de 65 jaar.
  • Misselijkheid en braken.

Het optreden van ernstige complicaties door de anesthesie is zeer uitzonderlijk. Het kan samenhangen met uw gezondheidstoestand vóór de operatie of het gevolg zijn van een calamiteit. Vraag uw anesthesioloog gerust of de anesthesie in uw geval bijzondere risico’s met zich kan meebrengen.

Toon meer

Regionale anesthesie

Bij regionale anesthesie wordt een groter gedeelte van het lichaam tijdelijk gevoelloos gemaakt, zoals een arm, been of het hele onderlichaam. Een voorbeeld van regionale anesthesie is de ruggenprik. Bij regionale anesthesie blijft u tijdens de operatie wakker maar als u dat liever heeft, kunt u een slaapmiddel erbij krijgen. Overigens ziet u niets van de operatie: alles wordt met doeken afgedekt.

Wat gebeurt er?

De anesthesist spuit bij deze vorm van verdoving een lokaal verdovingsmiddel in rond de zenuw(en) die op de pijn reageren. Hierdoor worden die zenuwen tijdelijk uitgeschakeld. In het verdoofde deel van het lichaam voelt u dan tijdelijk niets. Soms verdwijnt het gevoel echter niet helemaal: het kan zijn dat u geen pijn heeft, maar wel voelt dat u wordt aangeraakt. U kunt het verdoofde deel van het lichaam ook tijdelijk niet bewegen. Dit komt doordat de pijnzenuwen vaak samenlopen met de zenuwen die de spieren laten werken. Door de verdoving worden deze spieren ook tijdelijk uitgeschakeld. Als de verdoving helemaal is uitgewerkt, kunt u de spieren weer normaal bewegen en heeft u ook uw normale kracht weer terug.

Er zijn verschillende vormen van regionale anesthesie, zoals de ruggenprik, de plexusanesthesie (verdoving van een arm) en de regionale verdoving van een been.

De ruggenprik

In de rug lopen van uit het ruggenmerg grote zenuwen naar het onderlichaam en de benen. Het verdoven van dit gebied, gebeurt dit via een ruggenprik. Wanneer u in aanmerking komt voor een ruggenprik wordt u eerst aangesloten op de bewakingsapparatuur. Daarna wordt  uw bloeddruk gemeten en krijgt u een infuusnaald in een arm. Afhankelijk van de voorkeur van de anesthesioloog vraagt hij u om te gaan zitten of op een zij te gaan liggen. De ruggenprik is niet pijnlijker dan een gewone injectie.

Nadat de verdoving is ingespoten, merkt u eerst dat uw benen warm worden en gaan tintelen. Later worden ze gevoelloos en slap, net als de rest van het onderlichaam. Tijdens de operatie blijft de anesthesioloog of de anesthesiemedewerker bij u. U blijft bij bewustzijn. Van de operatie ziet u niets, alles wordt afgedekt met doeken. Als u toch liever slaapt, kunt u om een licht slaapmiddel vragen. Dit krijgt u dan via het infuus toegediend. Dat is dan geen narcose; u slaapt licht, zoals bij het innemen van een slaaptablet. Afhankelijk van het gebruikte medicijn kan het drie tot zes uur duren voordat de verdoving volledig is uitgewerkt. Tijdens het uitwerken van de verdoving kunt u ook last van pijn krijgen. Wacht niet te lang met het vragen van pijnstijlers aan de verpleegkundige.

Mogelijke bijwerkingen van de ruggenprik

Onvoldoende pijnstilling
Het kan voorkomen dat de verdoving  bij u onvoldoende werkt. Soms kan de anesthesioloog nog wat extra verdoving geven. In andere gevallen is het beter om voor een andere anesthesievorm te kiezen, bijvoorbeeld algehele anesthesie (narcose). De anesthesioloog overlegt dat met u.

Lage bloeddruk
Als bijwerking van een ruggenprik kan een lage bloeddruk optreden. De anesthesioloog houdt dit in de gaten en zal tijdig maatregelen nemen.

Hoge uitbreiding
Soms komt het voor dat het verdoofde gebied zich verder dan bedoeld naar boven uitbreidt. U merkt dat doordat uw handen gaan tintelen. Misschien kunt u wat moeilijker ademen. Om deze klachten op te lossen, geeft de anesthesioloog u extra zuurstof.

Moeilijkheden met plassen
De verdoving strekt zich uit tot de blaas. Het plassen kan daardoor moeilijker gaan dan normaal. Soms kan het nodig zijn om de blaas leeg te maken met een katheter, een plastic slangetje dat via de plasbuis wordt ingebracht.

Zeldzaam: toxische reacties
De zenuwen die verdoofd moeten worden lopen vlak bij grote bloedvaten. Het is mogelijk dat het verdovend medicijn direct in de bloedbaan komt. Dat uit zich in een metaalachtige smaak in de mond, tintelingen rond de mond, een slaperig gevoel, hartritmestoornissen, trekkingen en uiteindelijk bewusteloosheid. Behandeling hiervan is goed mogelijk.

Mogelijke bijwerkingen en complicaties nadat de ruggenprik is uitgewerkt

  • Rugpijn: het komt voor dat er rugpijn ontstaat op de plaats waar de prik is gegeven. De klachten verdwijnen meestal binnen enkele dagen.
  • Hoofdpijn: na een ruggenprik kunt u hoofdpijn krijgen. Deze hoofdpijn is anders dan ‘gewone’ hoofdpijn. De pijn wordt minder als u plat gaat liggen en juist erger bij het overeind komen. Meestal verdwijnt deze hoofdpijn vanzelf binnen een week. Als de klachten zo hevig zijn dat u in bed moet blijven, neem dan contact op met de anesthesioloog. Er zijn mogelijkheden om het natuurlijk herstel sneller te laten verlopen.
  • Zenuwpijn: in zeldzame gevallen kunt u een schietende pijn in een of beide benen overhouden. Dit gebeurt wanneer er tijdens het prikken een zenuwgordel is geraakt. Meestal gaat dit binnen enkele dagen vanzelf weer over. Mocht dat niet het geval zijn, neem dan contact op met de anesthesioloog.

Regionale verdoving van de arm (plexusanesthesie) 

Een arm kan worden verdoofd door het zenuwnetwerk (plexus), dat naar de arm loopt tijdelijk uit te schakelen. U wordt aangesloten op de bewakingsapparatuur en krijgt een infuusnaald in de andere arm, waardoor u tijdens de operatie zonodig medicijnen kunt krijgen.

Afhankelijk van de plaats waar u geopereerd wordt, krijgt u de verdovingsprik in de hals, onder het sleutelbeen, achter in de nek of in de oksel. De anesthesioloog gebruikt een zogenaamde zenuwstimulator om de juiste zenuw  op te zoeken. Deze prikkelt de zenuw met een lage elektrische stroom. U merkt dat doordat de arm of de hand onwillekeurig beweegt. Ook kunt u tintelingen voelen.

Het is belangrijk dat u tijdens het prikken stil blijft liggen. Als de naald op de goede plaats zit, spuit de anesthesioloog het lokaal verdovende middel in. Korte tijd later merkt u dat de arm of hand gaat tintelen en warm wordt. Later verdwijnt het gevoel en kunt u de arm en hand niet meer bewegen. Als de verdoving is uitgewerkt, keren de beweging en het gevoel weer terug.

De verdoving moet 15 tot 30 minuten inwerken voordat het effect optimaal is. Tijdens de operatie blijft u wakker, maar als u wilt kunt u om een slaapmiddel vragen. Overigens ziet u niets van de operatie: alles wordt met doeken afgedekt. Afhankelijk van het gebruikte medicijn kan het drie tot zes uur duren voordat de verdoving volledig is uitgewerkt. Soms duurt het zelfs twaalf tot achttien uur. Met het uitwerken van de verdoving kunt u ook last krijgen van pijn. Wacht niet te lang met het vragen van pijnstijlers aan de verpleegkundige.

Na een regionale verdoving van een arm hoeft u soms niet in het ziekenhuis te blijven totdat de verdoving is uitgewerkt. Dat hangt af van de operatie die bij u is verricht. Zolang de arm verdoofd is, draagt u een draagdoek (mitella).

Regionale verdoving van het been

Een been kan verdoofd worden door de zenuw die naar het been loopt tijdelijk uit te schakelen. Afhankelijk van de plaats waar geopereerd wordt, krijgt u de verdovingsprik in de bil, lies of knieholte. De anesthesioloog gebruikt een zogenaamde zenuwstimulator om de juiste zenuw op te zoeken. Deze prikkelt de zenuw met een lage elektrische stroom. U merkt dat doordat het been of de voet onwillekeurig beweegt. Ook kunt u tintelingen voelen.

Het is belangrijk dat u tijdens het prikken stil blijft liggen. Als de naald op de goede plaats zit, spuit de anesthesioloog het lokaal verdovende middel in. Korte tijd later merkt u dat het been gaat tintelen en warm wordt. Later verdwijnt het gevoel en kunt u het been niet meer bewegen. Als de verdoving is uitgewerkt, keren de beweging en het gevoel weer terug.

De verdoving moet 15 tot 30 minuten inwerken voordat het effect optimaal is. Tijdens de operatie blijft u wakker, maar als u wilt kunt u om een slaapmiddel vragen. Overigens ziet u niets van de operatie: alles wordt met doeken afgedekt. Afhankelijk van het gebruikte medicijn kan het drie tot zes uur duren voordat de verdoving volledig is uitgewerkt. Soms duurt het zelfs twaalf tot achttien uur. Met het uitwerken van de verdoving kunt u ook last van pijn krijgen. Wacht niet te lang met het vragen van pijnstijlers aan de verpleegkundige. Wees extra voorzichtig met lopen als u naar huis mag, terwijl het been nog verdoofd is en zwaar aanvoelt. Het is het veiligst om dan met krukken te lopen.

Mogelijke bijwerkingen/complicaties tijdens regionale verdoving van de arm of het been

Onvoldoende pijnstilling
Het kan voorkomen dat de verdoving bij u onvoldoende werkt. Soms kan de anesthesioloog nog wat extra verdoving geven. In andere gevallen is het beter om voor een andere anesthesievorm te kiezen, bijvoorbeeld narcose. De anesthesioloog overlegt dat met u.

Tintelingen na de operatie
Door irritatie van de zenuwen, de prik of de gebruikte medicijnen kunt u nadat de verdoving is uitgewerkt nog enige tijd last houden van tintelingen in de arm en hand dan wel in het been en de voet. Deze tintelingen verdwijnen meestal vanzelf binnen enkele weken tot maanden.

Overgevoeligheidsreacties
Overgevoeligheid voor de gebruikte verdovingsmiddelen komt zelden voor. Dit kan zich uiten in benauwdheid, huiduitslag of lage bloeddruk. Behandeling is meestal goed mogelijk.

 

Toxische reacties
De zenuwen die verdoofd moeten worden, lopen vlak bij grote bloedvaten. Het is mogelijk dat het verdovend medicijn direct in de bloedbaan komt. Dat uit zich in een metaalachtige smaak in de mond, tintelingen rond de mond, een slaperig gevoel, hartritmestoornissen, trekkingen en uiteindelijk bewusteloosheid. Behandeling hiervan is goed mogelijk.

Toon meer

Plaatselijke verdoving

Plaatselijke verdoving wordt toegepast op dat stukje van het lichaam dat geopereerd moet worden. Voor deze vorm van verdoving is geen anesthesioloog nodig. Meestal geeft de  die de ingreep uitvoert deze verdoving. Dit type verdoving kan in het hele lichaam worden toegepast, zoals bij een vinger of teen.

Pijnstilling na de verdoving

De pijn na de operatie kan goed bestreden worden met pijnstillers. Dit kan op verschillende manieren.

Over het algemeen krijgt u standaard zetpillen of pillen tegen de pijn. Daarnaast worden meestal injecties met morfine gegeven in de spier of onder de huid. Morfine is een sterke pijnstiller. Het kan ook via een infuus direct in het bloedvat worden toegediend.

Een aparte vorm van morfinetoediening is PCA (Patient Controlled Analgesia). Bij pijn drukt u op een knopje. Via een pompje krijgt u dan een bepaalde hoeveelheid morfine via het infuus. Dit kan slechts tot een bepaald maximum. Zo kunt u zichzelf niet te veel toedienen, waardoor dit een heel veilige manier van pijnstilling is.

Het is ook mogelijk dat er na de ruggenprik een slangetje in de rug achterblijft. Dit slangetje wordt op een pomp met verdovingsmiddel aangesloten. Daarmee kunt u naar de verpleegafdeling. Hierdoor blijven uw benen of buik enigszins verdoofd en voelt u minder pijn. Het slangetje kan maximaal vijf dagen blijven zitten.

U hoort via de anesthesioloog voor welke pijnstilling u in aanmerking komt.

Toon meer

Wat de anesthesioloog wil weten

Wanneer er tijdens een vorige operatie problemen zijn geweest, meld dit dan aan de anesthesioloog. Hij kan daar rekening mee houden en extra maatregelen nemen. Ook als er na de huidige operatie problemen optreden, willen wij dat achteraf graag horen.

Laat ons weten als u bijvoorbeeld last heeft van blijvende krachtsvermindering van een arm of been, langdurige hoofdpijn na een ruggenprik of als u toch iets van de operatie gevoeld of gemerkt heeft.

U kunt dit via de verpleegkundigen van de afdeling of via de zaalarts laten weten. Ook kunt u het telefonisch binnen kantooruren doorgeven aan de assistenten van de polikliniek Anesthesiologie. Wij nemen dan zo spoedig mogelijk contact met u op.

Toon meer

Voorbereiding op operatie

Voor uw operatie is het belangrijk dat u niet hebt gegeten en/of gedronken. Soms mag u uw medicijnen tijdelijk niet innemen. U hoort van uw anesthesist welke voorbereidingen voor u gelden. Mocht u onverhoopt niet nuchter zijn, dan betekent dit voor uw veiligheid meestal dat uw operatie uitgesteld wordt naar een later tijdstip. Houd er rekening mee dat als uw opnametijdstip verandert ook de tijden dat u nog mag eten en drinken veranderen!

Eten en drinken (nuchter zijn)

Het is noodzakelijk dat u voor een operatie een bepaalde periode niet eet of drinkt (‘nuchter’ blijft). Dit geldt als u een narcose, ruggenprik of zenuwblokkade krijgt. Nuchter zijn helpt om ernstige complicaties te voorkomen en klachten zoals braken en misselijkheid te verminderen. Voor baby's en kinderen gelden afwijkende regels. Volg deze regels.

Als u niet nuchter bent, kan de operatie niet doorgaan.

Wat mag u eten en drinken?

Nuchterbeleid volwassenen (> 18 jaar)

  • Tot 6 uren voordat u in het ziekenhuis moet zijn mag u 1 of 2 beschuitjes met jam eten.

Dit betekent dat als u zich bijvoorbeeld om 08.00 uur ’s morgens in het ziekenhuis moet melden, u vanaf 02.00 uur ’s nachts niets meer mag eten. Moet u zich bijvoorbeeld om 14.00 uur ’s middags melden, dan mag u vanaf 08.00 uur ’s morgens niets meer eten.

  • Tot 2 uren voordat u in het ziekenhuis moet zijn mag u heldere vloeistoffen drinken. Dit zijn: water, appelsap en thee ZONDER melk.

Dit betekent dat als u zich bijvoorbeeld om 08.00 uur ’s morgens in het ziekenhuis moet melden, u vanaf 06.00 uur ’s morgens niets meer mag drinken. De afgesproken medicatie mag u wel met een slokje water innemen op de dag van de operatie.

Nuchterbeleid  voor kinderen

Om misselijkheid en braken tijdens en na de ingreep zoveel mogelijk te voorkomen, is het belangrijk dat uw kind voor de narcose een bepaalde periode niet eet of drinkt (‘nuchter’ blijft). Houd u goed aan de volgende regels:

Uw kind is 1 jaar of ouder

  • Geef uw kind 6 uren voor de opname een licht ontbijt (beschuitje met jam en een kop heldere drank, bijvoorbeeld water, thee of heldere appelsap). Daarna mag uw kind niets meer eten.
  • Tot het tijdstip van naar de operatiekamer gaan, mag uw kind nog enkele slokjes heldere drank drinken. Onder heldere drank verstaan we, water, thee (mag met suiker), heldere appelsap of aanlenglimonade.

Uw kind is jonger dan 1 jaar

  • Geef uw kind 4 uren voor de opname een melkvoeding (fles of borst, geen pap).
  • Tot het tijdstip van naar de operatiekamer gaan mag uw kind nog enkele slokjes drinken (heldere drank). Onder heldere drank verstaan we, water, thee (mag met suiker) heldere appelsap of aanlenglimonade. Geen borstvoeding.

Het is belangrijk dat u zich goed aan deze regels houdt, anders kan de ingreep of het onderzoek niet doorgaan.

Bloedverdunners

Met bloedverdunnende medicijnen, zoals Sintrommitis®, Marcoumar®, Xarelto® en Prasaxa® moet u voor de operatie tijdelijk stoppen. Uw behandelend arts bespreekt hoeveel dagen voor de operatie u stopt met het innemen hiervan. Sommige andere medicijnen hebben ook een bloedverdunnende werking, zoals carbasalaatcalcium, diclofenac en naproxen. In overleg met uw behandelend arts kunt u deze meestal gewoon doorgebruiken, maar soms worden deze enkele dagen vóór de operatie gestopt.

Medicijnen

Het is belangrijk dat u doorgaat met uw eigen medicijnen. Dit is alleen anders als u met de anesthesioloog heeft besproken dat u met bepaalde middelen moet stoppen. Dit zijn bijvoorbeeld medicijnen die gebruikt worden bij suikerziekte, plastabletten of bloedverdunnende medicijnen.

Make-up

Om u tijdens de operatie goed te kunnen observeren, vragen we u geen make-up en nagellak te dragen.

Toon meer over voorbereiding op operatie

Tijdens uw operatie

De verpleegkundige brengt u in uw bed naar de operatieafdeling. Daar ziet u de anesthesioloog en zijn/haar assistent. Uw anesthesioloog kan een ander zijn dan degene die u op de polikliniek of op de verpleegafdeling heeft gezien. De met u gemaakte afspraken staan op het anesthesieformulier. 

Op de operatiekamer wordt van tevoren, dus terwijl u nog wakker bent, met het hele behandelende team, een laatste veiligheidscontrole uitgevoerd. De operateur zal u nog enkele gegevens vragen, zoals uw naam en geboortedatum. Met het team worden gegevens over u (zoals allergieën en medicatie) en over de operatie (zoals in welke houding u komt te liggen en of alle benodigdheden er zijn) besproken. U heeft dan ook zelf nog de gelegenheid om met de operateur te spreken.

Toon meer

Na de operatie

Na de operatie brengen de anesthesioloog en de anesthesiemedewerker u naar de uitslaapkamer (verkoeverkamer). Dat is een aparte ruimte vlak bij de operatiekamer. Hier werken gespecialiseerde verpleegkundigen die erop letten dat u rustig bijkomt van de operatie. U ligt hier nog aan bewakingsapparatuur. Soms loopt er een slangetje door uw neus naar uw maag om deze te ontlasten en heeft u een slangetje in uw neus voor extra zuurstof.

Naar de IC of verpleegafdeling

Zodra u wakker bent uit de narcose of als de ruggenprik voldoende is uitgewerkt en u voldoende pijnstilling heeft en niet meer misselijk bent, gaat u terug naar de afdeling. Het kan zijn dat door de aard van de operatie of uw lichamelijke conditie een wat langere bewaking nodig is. U moet dan nog enige tijd op een speciale bewakingsafdeling blijven. U komt dan terecht op de PACU (Post Anesthesia Care Unit) of IC (Intensive Care). Zowel op de IC als op de verpleegafdeling kunt u bezoek ontvangen.

 

 

 

 

 

 

 

Toon meer

Gerelateerde informatie

Code
ANES 04-AD